dinsdag 18 november 2014

Voor wie is de stad?

Boompjes

Op verschillende plekken zie je de laatste tijd weer discussies ontstaan of nieuwbouw voor de middenklasse niet zorgt voor een verdringing van lagere inkomens. De term gentrification - een geliefd onderwerp in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw – staat daarmee weer op de agenda. Welke lessen uit het verleden zijn te trekken voor de huidige discussie in onder andere Rotterdam?

Booming Rotterdam
De New York Times en de reisgids Rough Guide hadden Rotterdam al benoemd tot een topbestemming, maar vorige week riep de Britse denktank Academy of Urbanism de havenstad ook nog eens uit tot stad van het jaar: ''De stad heeft een jonge, open, tolerante gemeenschap die vernieuwende architectuur en stedelijk ontwerp en nieuwe bedrijfsmodellen omarmt. De strategie is om families en bedrijven naar het centrum te trekken met huizen, uitstekend openbaar vervoer en een levendige publieke ruimte''.
Deze nieuwe aandacht heeft voor een deel te maken met de onlangs opgeleverde Markthal. Een in mijn ogen schitterend gebouw dat past in het rijtje van nieuwe Rotterdamse iconen zoals het station en de nieuwbouw op de Kop van Zuid. Maar naast trots is er ook kritiek. Op het gebouw (“plofkip architectuur”), maar vooral op de gekozen doelgroep. Passen deze ontwikkelingen wel in “een arbeidsstad als Rotterdam”? Zo zouden de 'marktkramen' zich met hun producten te veel op het midden- en dure segment richten. Ook de woningen - die de markthal omringen - zijn aan de prijs. En dus is er weer een discussie ontstaan over nut en noodzaak van dit soort gebouwen. In NRC.next schreven twee Rotterdammers (Özdil & Van Veelen, 2014) een meer dan kritisch stuk. In hun ogen is de Markthal “een historische clusterfuck van gentrificatie, segregatie, en neoliberalisme; van nep-authenticiteit, braaf gepapegaaid door eerbiedige journalistiek". Anderen (Boddaert, 2014) wijzen, met enige kritische ondertoon, juist op de aantrekkingskracht: "Dit is een ‘foodwalhalla’ voor chique en hippe Rotterdammers met geld of de hordes toeristen die hier vast op af zullen komen." Hoogste tijd om deze door felle meningen overheerste discussie van wat feiten te voorzien aan de hand van wetenschappelijke literatuur en statistieken.

woensdag 24 september 2014

Pop-up City

Na het succes van het blog is er nu het boek: Pop-up city. Beide gaan over de invloed van spontane, tijdelijke burgerinitiatieven op de geplande stad.  Het boek doet een belangrijk pleidooi voor een stedelijke planning waarin voldoende flexibiliteit wordt ingebouwd zodat er voldoende ruimte is voor innovatieve en tijdelijke activiteiten van gebruikers. In het boek staan zeker honderd voorbeelden, variërend van leuke ideeën tot interessante projecten die het stedelijk landschap hebben veranderd. Daarmee is het boek een mooie momentopname van deze nieuwe stroming in het stedelijke speelveld.

Achtergrond
In 2004 publiceerde het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) een advies waarin zij de belangrijkste ontwikkelingen in de maatschappij samenvatte: Individualisering, Informatisering, Internationalisering, Informalisering en Intensivering. De zogenaamde vijf i's die staan voor meer keuzevrijheid voor het individu, minder afhankelijkheid van een groep, de toenemende communicatie- en interactiemogelijkheden via internet en 'social media', de globalisering, het losser worden van maatschappelijke verbanden, de opkomst van netwerkorganisaties en de behoefte aan variatie en continue verandering.

Initiatieven van onderop
De reden dat de Pop-Up City bestaat heeft voor een groot deel te maken met deze mondiale ontwikkelingen. Maar tegelijkertijd is het een reactie op de scheve verhouding tussen de gebouwde omgeving (geplande stad) en het dagelijks gebruik (geleefde stad). Of zoals de auteurs dat mooi en gedurfd zeggen: "Modern cities are a mixture of ego-driven architecture, profit-oriented pursuits, and long-term master plans. Office developments are designed for the first entity to use them, leaving inflexible spaces for future tenants once the original tenant packs their bags for greener pastures in the next fashionable building." De Pop-Up beweging is een reactie op en een manier om invulling te geven aan deze verstoorde relatie tussen de systeemwereld en de leefwereld. En tegelijkertijd is het een oproep naar een meer organische stedelijke ontwikkeling die flexibel en aanpasbaar is. Net zoals de samenleving.

zondag 7 september 2014

Leeszaal Rotterdam West: de democratische reactie

Onlangs was ik op bezoek in de Leeszaal in Rotterdam West. Een publieke ontmoetingsplaats die wordt gerund door bewoners waar taal, cultuur, verbeelding en participatie samenkomen. Alles volgens het principe van ‘halen en brengen’: in de vorm van tijd, kennis, ervaring, spullen, geld en netwerk. Dit veel geprezen bewonersinitiatief draait nu anderhalf jaar op volle toeren waardoor het mogelijk is om de eerste lessen te trekken.

In veel steden zijn er in de afgelopen jaren wijkbibliotheken gesloten. In Rotterdam sloten er maar liefst 18 van de 24. Dat riep in het Oude Westen de nodige weerstand op, maar een handtekeningenactie leverde niets op. Maurice Specht en Joke van der Zwaard, beide actieve wijkbewoners bedachten toen zoals ze dat zelf mooi noemen “een democratische reactie”. In plaats van de besluitvorming van de ‘geplande stad’ te beïnvloeden, gingen zij samen met buurtbewoners aan de slag om een eigen publieke voorziening op te zetten (‘geleefde stad’).

Dit past volledig in het ideaalbeeld van veel politici die het einde van de verzorgingsstaat hebben aangekondigd en de participatiesamenleving als alternatief naar voren schuiven. Wie echter de rapporten en onderzoeken leest over burgerparticipatie herkent al snel een patroon: de verwachtingen en resultaten van de doe-democratie zijn zeer divers. Wel zijn er verschillende zaken die de kans op succes kunnen verhogen. Aan de hand van de Leeszaal passeren hieronder de belangrijkste aanbevelingen de revue. De kopjes van de alinea's leiden de weg.

Ken je buurt
Specht en Van der Zwaard sloegen de handen in één nadat ze elders in Rotterdam een kleine, tijdelijk wijkbibliotheek hadden bezocht waar bewoners de dienst uitmaakte. Zoiets wilde zij ook. Een leeszaal, die niet de oude bibliotheek vervangt maar een publieke ontmoetingsplek waar boeken en lezen een prominente rol vervullen. De eerste stap die ze daarbij namen, is - wat mij betreft - bepalend geweest voor het huidige succes. Ze maakte geen beleidsplan, ze begonnen niet met het vinden van een locatie, maar ze begonnen met het voeren van gesprekken op bestaande ontmoetingsplekken in de wijk. Daar stelde ze open vragen: hoe ziet jouw ideale leeszaal eruit en wat ben je er bereid voor te doen? Ze gingen ook langs bij zelforganisaties en bewonersgroepen in de wijk. Men vroeg echter – zoals vaak gebruikelijk – om niet als groep mee te denken en mee te doen, maar als individu. Vooraf was namelijk al duidelijk voor de initiatiefnemers dat de Leeszaal moest draaien op individuen en niet op (etnische) groeperingen. Een slimme zet, omdat veel bewonersinitiatieven en publieke voorzieningen mislukken als gevolg van de onderlinge strijd tussen groepen die de ruimte willen claimen. Daarnaast past het beter bij de nieuwe vrijwilliger van de 21ste eeuw, die minder snel actief zal zijn binnen een vrijwilligersorganisatie waarin een groep of organisatie voorop staat.

vrijdag 8 augustus 2014

We Own The City


In juni van dit jaar was in Amsterdam de boekpresentatie van ‘We Own The City’. Een boek over de opkomst van burgerinitiatieven binnen de wereld van de stedelijke planning. De focus in het boek ligt op de manier waarop de systeemwereld ('top-down players') omgaat met deze lokale initiatieven. Het resultaat is een boek met beschrijvingen van inspirerende stedelijke ontwikkelingsprocessen van over de hele wereld. 

Het mooi vormgegeven boek gaat over de tegenstrijdigheid en tegelijkertijd wederkerigheid tussen gecentraliseerde overheidsmaatregelen en initiatieven van onderop. Top-down versus bottom-up. Geplande maatregelen versus spontane maatregelen. Aanbodgedreven versus vraaggericht. Intenties van ontwerpers versus de wensen van gebruikers. De geplande versus de geleefde stad. De auteurs zijn zich bewust dat in veel stedelijke processen deze scheidslijn niet zo scherp is te trekken. Dat is ook niet het doel van het boek. Het boek wil vooral laten zien dat er een paradigmaverschuiving aan het plaatsvinden is. De - dan wel niet zelfgekozen - terugtrekkende beweging van veel traditionele partijen (overheden, corporaties, ontwikkelaars, architecten) zorgt er voor dat bewoners en gebruikers (noodgedwongen) in het ontstane gat duiken. Het gevolg is dat er steeds meer 'citymakers' zijn.

Het beste van twee werelden
De engelstalige publicatie focust aldus op de nieuwe rol- en taakverdeling van de traditionele partijen en hoe zij meer rekening kunnen houden en meer kunnen samenwerken met deze beweging van onderop. Om hier een beter beeld van te geven, hebben de auteurs twintig casestudies onderzocht in vijf steden: Amsterdam, Hong Kong, Moskou, New York en Taipei. Deze steden werden uitgekozen vanwege hun lange ervaring met stedelijke planning via de formele weg. Maar tegelijkertijd zie je dat de traditionele partijen in deze steden zich in de afgelopen jaren meer zijn gaan richten op bewonersparticipatie, interactieve processen en het creëren van ruimte voor lokale initiatieven. Het is interessant om te zien hoe iedere organisatie en stad dat op zijn eigen manier doet. 

Mate van betrokkenheid
De casestudies gaan niet alleen over initiatieven die volledig zijn ontwikkeld door bewoners. Verwacht niet een beschrijving van allerlei initiatieven die voldoen aan de criteria van bijvoorbeeld tactical urbanism of pop-up urbanism. Het boek behandelt verschillende treden van de participatieladder: van informeren en raadplegen tot meebeslissen en produceren. Die eerste stappen klinken niet heel vernieuwend, maar sommige landen (China, Rusland, Taiwan) en disciplines (overheden, architecten) komen ook van verre. Neem bijvoorbeeld de situatie in Hong Kong: “We have to be honest with ourselves on the subject, and admit at the outset that, as yet, we don’t have a fully developed culture of community planning. […] Government owns all the land and it is a valuable commodity. […] Governmental agencies are only just learning that they must reflect public opinions.

zaterdag 24 mei 2014

Op zoek naar nieuwe verhoudingen

Stroom Den Haag organiseert dit jaar de zogenaamde Stadsklas. Gesprekken op locatie over ruimtelijke veranderingsprocessen, waarbij alternatieve en innovatieve praktijken van bewoners, kunstenaars, architecten en publieke ontwikkelaars centraal staan. Vorige week vrijdag was de aftrap in Amsterdam Noord, bakermat van een groot aantal inspirerende bewonersinitiatieven. Maar hoe ga je als professionele partij om met deze initiatieven?

De Stadsklas wil inzicht vergaren in de veranderende rol van de professional (gemeente, corporatie, architect, stedenbouwer, etc.) bij ruimtelijke vraagstukken. In een wereld waarin weinig traditionele financiële bronnen meer voor handen zijn, partijen meer en meer van elkaar afhankelijk worden en er - al dan niet noodgedwongen - wordt gekozen voor een meer organische aanpak met specifieke oplossingen in plaats van generieke. Een aanpak waarin ruimte wordt gegeven aan nieuwe partijen en disciplines. Oftewel: de overgang van ‘stad maken’ naar ‘stad zijn’, zoals dat een aantal jaren geleden al mooi is verwoord in het essay ‘Stedelijke vernieuwing op uitnodiging’.

Amsterdam Noord
Het is bij deze nieuwe invulling van ruimtelijke en maatschappelijke vraagstukken nog zoeken naar de juiste manier van samenwerken, communiceren, organiseren en ontwerpen. Amsterdam Noord, dat andere stukje Amsterdam aan de overkant van het IJ, was het ideale startpunt voor deze zoektocht. Veel bewoners en gebruikers hebben daar de politieke wens van ‘meer-zelf-doen’ in de praktijk gebracht en werken op verschillende manieren samen met traditionele partijen.

zaterdag 3 mei 2014

Het zelfoplossend vermogen van de stad

Nadat de storm rondom de begrippen Civil society, Actief Burgerschap, Doe-democratie en Participatiesamenleving net weer even was gaan liggen, gaf de Raad voor de Leefomgeving vorige week opnieuw voeding aan de zoektocht naar burgerkracht. In hun nieuwste advies ‘Toekomst van de Stad’ houden zij een pleidooi om het zelfoplossend vermogen in de samenleving beter te benutten. Het is niet te hopen dat beleidsmakers en politici dit als een vrijbrief zien om zich volledig terug te trekken. Zorgvuldigheid is namelijk gewenst.

In heel Nederland zie je steeds meer initiatieven die het gat dichten tussen markt en overheid. Individuen of groepen beheren buurthuizen en BewonersBedrijven, beginnen samen een moestuin op een stukje kijkgroen, lopen als stadswacht door buurten, treden op als bemiddelaars in burenruzies of zijn actief in een burenhulpcentrale.  Initiatieven die volledig passen in de veranderende verzorgingsstaat waarin van burgers wordt verwacht dat ze participeren, dat ze hun eigen kracht aanboren, verantwoordelijkheid nemen en zelfredzaam zijn.

Verwachtingsmanagement
De praktijk is echter een stuk weerbarstiger dan veel politici, kenniscentra en adviseurs ons willen doen geloven. Veel sympathieke pogingen, waar we weinig tot niets over horen, mislukken namelijk. Daarnaast is het de vraag voor welk probleem dit zelfoplossend vermogen een oplossing is? En waar deze initiatieven wel tot wasdom komen en waar niet? Justus Uitermark (Erasmus Universiteit) laat, in een voorbereidend essay voor het advies, zien dat zelforganisatie alleen kansrijk is wanneer de initiatiefnemers sterke netwerken hebben en zich richten op een welgesteld publiek. Daar waar die competenties niet bestaan en de overheid zich terugtrekt, moeten we dus ook minder verwachten. “In de praktijk willen we wel de authenticiteit, spontaniteit en de energie van zelforganisatie, maar accepteren we niet de grilligheid en ongelijkheid die eruit voortkomen”, aldus Uitermark. Mede dankzij dit essay nuanceert de raad in haar advies de reikwijdte van deze maatschappelijk initiatieven: “Zelforganisatie en het ontstaan van verschillen zijn twee kanten van dezelfde medaille”.

woensdag 2 april 2014

Torre David; een informele stad in een flatgebouw

In Caracas staat een niet afbouwde wolkenkrabber van 45 verdiepingen, genaamd Torre David. Ondanks de fysieke tekortkomingen is het kantoorgebouw omgebouwd tot een thuis voor meer dan 750 families. Urban-Think Tank, een interdisciplinaire ontwerpstudio, studeerde een jaar lang de fysieke structuur en de zelforganisatie die deze ruïne ombouwde tot een krakerspand. Dit proces, waar de geplande stad de geleefde stad ontmoet, is samengevat in een schitterend boek. 

De geplande stad

Caracas, de hoofdstad van Venezuela, is sinds de jaren zeventig flink in omvang gegroeid. In deze periode profiteerde het land van de enorme opbrengsten uit de oliewinning. De overheidsagenda werd op dat moment gedomineerd door centralisatie en nationalisatie. Het gevolg was dat Caracas zowel formeel als informeel groeide. De formele stad werd uitgebreid met de bouw van nieuwe woongebieden voor de middenklasse in het (zuid)oosten. Dit op basis van een gecentraliseerde en grootschalige blauwdrukplanning. De genoemde economische en politieke ontwikkelingen zorgde er ook voor dat de stad als een magneet werkte voor mensen van het platteland, die op zoek waren naar grotere voorspoed. Daarmee werd Caracas, met meer dan drie miljoen inwoners, een van de meest gesegregeerde steden ter wereld. Er ontstond een grote informele economie en mensen bouwden hun eigen huisjes. Ongeveer veertig procent van de inwoners van Caracas woont nu in zelfgebouwde gemeenschappen. De meeste op gevaarlijke hellingen die bij hevige regenval te maken hebben met overstromingen en aardverschuivingen.  

De Toren wordt gebouwd
Ondanks de groeiende economische problemen in de jaren tachtig (inflatie, werkloosheid) wordt een ontwikkelaar gevraagd om in het financiële centrum een kantoorgebouw te realiseren. Het complex bestaat uit vijf gebouwen. Het hoofdgebouw, als snel benoemd tot 'Torre David', zou 45 verdiepingen gaan tellen met een helikopterplatform, een hotel en 30.000 m2 aan kantoorruimten. De oplevering stond gepland voor juli 1994, maar het gebouw werd nooit afgebouwd. In 1993 overlijdt de ontwikkelaar en in januari 1994 is er een grote bankencrisis. Zonder leiderschap en financiële bronnen wordt de bouw gestopt, nadat 90% is afgerond. 

zaterdag 1 februari 2014

Triumph of the City


Het is waarschijnlijk een van de meest positieve boeken over steden van de laatste tijd: 'Triumph of the City'. Geschreven door Edward  Glaeser, Professor of Economics op Harvard University. De rode draad is dat ideeën makkelijker verspreiden in dichtbevolkte gebieden. “We must free ourselves from our tendency to see cities as their buildings, and remember that the real city is made of flesh, not concrete”. Een samenvatting en recensie van dit veel geprezen boek in de Amerikaanse vakliteratuur. 

Ontmoetingen
Het boek start meer dan voortvarend. In de eerste hoofdstukken vertelt Glaeser in sneltreinvaart zijn visie op en de voordelen van steden. “Cities are the absence of physical space between people and companies. They are proximity, density, closeness. They enable us to work and play together, and their success depends on the demand for physical connection.” Zijn focus ligt dus op de interactie tussen personen en niet zozeer op stedelijke structuren en gebouwen. “Too many officials in troubled cities wrongly imagine that they can lead their city back to its former glories with some massive construction project – a new stadium or light rail system, a convention center, or a housing project. With very few exceptions, no public policy can stem the tidal forces of urban change. […] public policy should help poor people, not poor places.” Hiermee neemt hij een ander standpunt in dat veel Amerikaanse politici in het verleden: “Governments should encourage people to live in modestly sized urban aeries instead of bribing home buyers into big suburban McMansions.” En durft daarbij een gevraagd politiek standpunt in te nemen:  “A mayor who can better educate a city’s children so that they can find opportunity on the other side of the globe is succeeding, even if his city is getting smaller.” Een visie die ook wel eens wat vaker gebezigd mag worden door Nederlandse politici en beleidsmakers.

zaterdag 25 januari 2014

De neergang en opkomst van lokale winkelstraten


Van 2013 tot 2015 onderzoekt de Rotterdamse Academie van Bouwkunst de rol en betekenis van de straat als sociale ruimte. Als de plek waar vormgeving, sociale structuren, economische netwerken, culturele patronen en politieke processen samenkomen en elkaar beïnvloeden. Afgelopen donderdag werd in dit kader een lezing gegeven door onder andere Sharon Zukin, specialist op het gebied van ‘Urban Culture’.

Authenticiteit
De straat is essentieel voor het stedelijk leven en daarmee de basis voor het functioneren van de stad, zoals het onderzoeksprogramma dat zo mooi beschrijft. Sociologe Sharon Zukin waarschuwt echter al een paar jaar voor het gevaar dat steden hun identiteit verliezen door diezelfde straten, zoals in haar boek ‘Naked City: The Death and Life of Authentic Urban Places’. Op basis van onderzoek in New York concludeert zij dat het gentrificationproces - met de instroom van  hoger opgeleide, middenklasse gezinnen -  in haar woonplaats ervoor heeft gezorgd dat er steeds meer van hetzelfde is (“overbearing sameness”). Aan de ene kant doordat de oorspronkelijke bewoners (arbeiders, migranten, lage inkomens) verhuizen omdat zij de stijgende huren niet meer kunnen betalen en/of zich niet meer kunnen vinden in de veranderende leefomgeving met voornamelijk ABC winkelstraten (Art-galleries, Boutiques, Cafes). En aan de andere kant omdat dit de instroom van nieuwe ‘creatievelingen’ en migranten beperkt. Ook zij voelen zich niet tot dit soort buurten aangetrokken of kunnen het simpelweg niet betalen. En dat terwijl steden juist vaak hun identiteit ontlenen aan deze groepen. In een interview met Urban Cultural Studies vat ze dat als volgt samen: “There have been changes that have made New York more like other cities. Also, they have made New York a more expensive city and a less fascinating place.”