zaterdag 25 mei 2013

Een nieuw icoon: Rotterdam CS

Hoe ver gevorderd moet een bouwproject zijn voordat je het de hemel in mag prijzen? Het nieuwe Centraal Station van Rotterdam is namelijk nog niet helemaal af, maar wat een prachtig staaltje architectuur. Licht, lucht en ruimte komen op alle mogelijke manieren tot volle wasdom. Een feest voor de reiziger.

Het is alweer vijf jaar geleden dat het oude stationsgebouw werd gesloopt. Het door architect Sybold van Ravesteyn ontworpen gebouw was onderdeel van de Rotterdamse wederopbouw. Het werd gebouwd iets ten westen van het door het bombardement van 14 mei 1940 verwoeste station Delftse Poort. Bij de oplevering in 1957 werden voor het eerst de treinen uit Utrecht naar dit nieuwe verkeersknooppunt geleid, waardoor het nieuwe ‘centraal station’ zijn naam eer aan deed.
Van Ravesteyn was een omstreden architect, omdat hij tijdens zijn carrière het functionalisme (functie bepaalt vorm) langzaam inruilde voor een meer barokke stijl (de gebogen lijn). Diergaarde Blijdorp (1937-1941) is van die laatste het meest bekende voorbeeld. Bij de bouw van het Centraal Station (1950-1957) greep Van Ravesteyn uiteindelijk - op aandringen van de gemeente Rotterdam, die een modern stationsgebouw verlangde - terug op het functionalisme. Hij ontwierp het stationsgebouw als de afsluitende, gebogen wand van het ervoor liggende (verkeers)plein. Een 120 meter lange gebogen gevel die tegelijkertijd de achtergelegen perronoverkappingen moest maskeren. Ondanks het functionele karakter waren er verschillende onderdelen met een meer speels karakter. In de hal, de gevelgeleding en het materiaalgebruik was zichtbaar dat Van Ravesteyn in de loop der jaren was geïnspireerd door de moderne Italiaanse (stations)architectuur. Voor de gemiddelde reiziger waren vooral de analoge klok en de kapitaalletters op het dak in het oog springend. Toen het gebouw in 2008 werd gesloopt, kreeg het een passend afscheid. De letters Centraal station werden gehusseld tot: ‘traan laten’. RTV Rijnmond maakte er een mooi filmpje over.

Licht, lucht en ruimte
Hoewel het oude stationsgebouw er zeker mocht zijn, was er één belangrijk en vooral knellend nadeel aan het voormalige station. De onderdoorgang die zowel de noord- en zuidzijde van het station verbond als de toegangsweg naar de perrons was niet gebouwd voor de 110.000 treinreizigers die het station in 2007 moest verwerken. Zie hier de belangrijkste reden voor dit nieuwe bouwproject.
De donkere, smalle voetgangerstunnel met het veel te lage plafond is niet meer. Het tegenovergestelde is er voor in de plaats gekomen. Het station bestaat nu uit een enorm brede doorgang met aan weerszijde winkels en brede trappen richting perrons. Vooral de enorme hoeveelheid ademruimte en daglicht is bijzonder. Daarmee heeft het de kenmerken van het functionalisme (licht-lucht-ruimte) maar dan wel getransformeerd naar de maatstaven van de 21ste eeuw.

vrijdag 10 mei 2013

Leefbaarheid: meer dan een badkamer

Een keer in de zoveel tijd verschijnt er een (wetenschappelijk) onderzoeksrapport die bepaalde sociale interventies ter discussie stelt. Dat is goed, want dat houdt iedereen scherp. Aan de andere kant is het wel van belang dat je weet welke onderzoeksmethodiek is gebruikt en hoe de leefbaarheid is gedefinieerd, voordat je overhaaste conclusies trekt.

Twee weken geleden was er in Rotterdam een boekpresentatie van het onderzoek ‘Schoon, heel en werkzaam?’. Een boek dat in die dagen ervoor al de nodige publiciteit had gekregen in de pers met heel wat (ongenuanceerde) citaten en (voorbarige) conclusies (zie o.a. Trouw). Het onderzoek richtte zich op onder andere het stimuleren van bewonerscontacten, buurttoezicht, straatcoaches en sport in de wijk (klik hier voor een samenvatting).

Tussen symboliek en effectiviteit
In dit onderzoek confronteert socioloog Vasco Lub enkele sociale interventies met wetenschappelijke inzichten. Voor elk thema reconstrueerde hij zogenaamde ‘interventietheorieën’: de ideaaltypische aannames over hoe een bepaalde maatregel zou moeten bijdragen aan de buurtleefbaarheid (bijvoorbeeld: meer bewonerscontacten → meer bekendheid en vertrouwen → meer sociale controle op norm overstijgend gedrag → vermindering criminaliteit en overlast). Aan de hand van meer dan 300 (inter)nationale studies is hij de causaliteit van deze relaties (de pijlen) gaan onderzoeken. Op basis hiervan concludeert hij dat het wijkenbeleid in Nederland te vaak symbolisch is: “Sociale leefbaarheidsprojecten zijn doortrokken van als vanzelfsprekend aangenomen assumpties over ‘wat werkt’. De argumentatie achter deze interventies en de causale verbanden die daarbij worden verondersteld, klinken vaak aannemelijk. Maar daarmee zijn ze nog niet per definitie waar. Sterker nog: van het merendeel van de onderzochte beleidsinterventies is het twijfelachtig tot ronduit ongeloofwaardig dat zij hun gestelde doelen bereiken.”

Kanttekeningen
Tijdens de boekpresentatie waren er flink wat kritische geluiden vanuit de zaal, via een panel en door middel van een schitterende column van Joost van Alkemade van Movisie. In mijn bewoording: terecht dat de onderzoeker wijst op de noodzaak om vooraf en achteraf goed na te denken over welke interventies wel en niet werken. Een effectieve wijkaanpak begint immers met de bereidheid om vragen te stellen over de effectiviteit van interventies. Dat wordt simpelweg nog te weinig gedaan. Het is echter moeilijk om op basis van dit onderzoek conclusies te trekken. Dat komt onder andere doordat hij een beperkte definitie van leefbaarheid hanteert: overlast en criminaliteit. Over de wereld van schoon, heel, samenleven, rondkomen en vooruitkomen wordt weinig gezegd. Daarnaast gebruikt hij ook vaak de verkeerde (of te weinig) indicatoren om vast te stellen of iets geslaagd is. Zo wordt het succes van een interventie vaak gekoppeld aan een vermindering van aantal aangiften bij politie. Hij lijkt zich daarbij vooral te willen richten op de vraag of er effecten waarneembaar zijn op de lange termijn en op wijkniveau, terwijl beleidsmakers én bewoners vaak al tevreden zijn met resultaten op korte termijn en op individueel/complexniveau.