maandag 17 december 2012

Obama en stedelijk beleid: na het zaaien het oogsten?

In een vorige bijdrage keken we naar de rol en invloed van Amerikaanse presidenten op stedelijk beleid. Daaruit bleek dat het een relatie was van vallen en opstaan en dat er sinds de jaren zeventig geen president meer was geweest die het thema echt durfde op te pakken. President Obama zette het in 2009 wel hoog op zijn lijstje van binnenlandse politiek. Wat is zijn visie en welke resultaten zijn er tot nu toe gehaald? Een terug- en vooruitblik.

Wat vooraf ging
Meer dan een jaar voor de verkiezingen van 2009 beschreef de toenmalige senator al zijn stedelijke aspiraties. Op een conferentie in juni 2008 voor burgemeesters sprak hij zijn wens uit om tot een stedelijk model te komen dat zich richt op grootstedelijke groei in plaats van alleen op binnenstedelijke criminaliteit en armoede: "We need to stop seeing our cities as the problem and start seeing them as the solution. Because strong cities are the building blocks of strong regions, and strong regions are essential for a strong America.” En over de rol van de nationale overheid: “Change comes from the bottom up, not the top down.” […] “The truth is, what our cities need isn’t just a partner. What you need is a partner who knows that the old ways of looking at our cities just won’t do; who knows that our nation and our cities are undergoing a historic transformation.” Dat viel in goede aarde want daarvoor had de burgemeester van Miami, namens de daar aanwezige burgemeesters, net de retorische vraag gesteld of analfabetisme, leerachterstanden, armoede, criminaliteit en gezondheidsproblemen een stedelijk of landelijk probleem zijn: “Washington has lost its values, lost its principles, lost its sense of purpose. They no longer invest in our cities, they no longer invest in our people. Plain and simple, they have abandoned us. They engage in endless debate and partisan bickering, while people throughout this country suffer.”

maandag 5 november 2012

Bubbling under: Amerikaanse presidenten en stedelijk beleid

De relatie tussen Amerikaanse steden en de nationale overheid is er een van vallen en opstaan. Afhankelijk van de tijdgeest en het soort president bemoeit het Witte Huis zich in meer of mindere mate met de stad en/of haar bewoners. Met de komst van president Obama was er voor het eerst sinds de jaren zeventig weer een president die het thema echt durfde op te pakken. Wat heeft hij in gang gezet en hoe ging het zijn voorgangers af? Een terugblik.

Wie de geschiedenis induikt van de Verenigde Staten moet altijd eerst even zijn Europese bril afzetten. Niet alleen vanwege de enorme verschillen in schaalgrootte, maar vooral vanwege de  andere visie op politiek, economie, zeggenschap, godsdienst, belastingen, maatschappelijke vraagstukken, moreelethische zaken en zo verder. Samengevat staat ‘in the land of the free’ het ondernemerschap hoog in het vaandel, hebben marktpartijen invloed op bijna alles en draait de democratie aan de hand van een gefragmenteerd en pluriform beslissingsysteem. Vooral dit laatste is voor dit verhaal relevant. Staten, steden en dorpen kennen een grote zelfstandigheid, gepaard gaande met een groot aantal beslissingsbevoegdheden. Dit heeft een enorme ‘besluitvormingsdrukte’ tot gevolg. De invloed van de nationale overheid binnen de landgrenzen is dan ook een stuk minder dan daarbuiten. Voor veel Amerikanen heeft de landelijke politiek alleen iets van doen met de nationale belastingen, defensie en buitenlandse relaties. Al het andere is een zorg en taak van lagere overheden. Dat geldt niet alleen voor de Republikeinen. Ook de Democraten pleiten voor veel minder herverdeling en overheidsinmenging dan rechtse partijen in Europa. Met die bril moet ook naar het nationale beleid ten aanzien van steden worden gekeken. Enorme overheidsingrepen zoals in Nederland en Frankrijk zullen hier niet voorkomen. Toch zijn er verschillende presidenten geweest die wel hebben geprobeerd om - binnen de Amerikaanse idealen - hun stempel te drukken op de fysieke ('places') of sociale ontwikkeling ('people') van steden. Een historisch overzicht.

zaterdag 6 oktober 2012

Smaken verschillen*

De meeste politici, onderzoekers en beleidsmakers zijn dol op statistieken. Alsof de complexe wereld van buiten is af te lezen van een computerscherm. Els Desmet en Annemarie Sour deden het tegenovergestelde. Zij brachten vorig jaar een groep jonge allochtone stadsvrouwen uit Rotterdam Zuid in beeld en publiceerde een boek met schitterende citaten. Onlangs deden ze op kleinschalig niveau een soortgelijke verkenning in Den Haag. Het resultaat: persoonlijke verhalen die inzicht geven in beweegredenen, belemmeringen, motivatie en woonwensen.  
“Mijn moeder heeft me gestimuleerd. Ze was een van de eerste gescheiden vrouwen in de familie. Ze zei: je moet er voor gaan. Je bent een allochtone vrouw en moet er harder voor werken. De studie ging altijd voor. Mijn moeder wilde niet dat ik er een baantje bij had.”
Wie rondloopt op hoge scholen en universiteiten wist het natuurlijk al lang, maar ook in de statistieken is ondertussen een explosieve groei te zien van het aantal niet-westerse allochtonen in het wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs. Een verdrievoudiging, respectievelijk verviervoudiging sinds de eind jaren negentig. Een nieuwe middenklasse is in de maak. Hoewel dit emancipatieproces volop gaande is, gaat het zeker niet vanzelf. Tegenwerking binnen de familie, onderadviezen van leraren en het moeilijk vinden van een stageplek zijn veel gehoorde obstakels. Het Rotterdamse boek en de Haagse verslagen laten echter zien dat deze hobbels met veel enthousiasme en inzet worden overwonnen. De ambitie om vooruit te komen bij deze groep van veelal dertig plussers druipt er vanaf. Het stapelen van diploma’s, het werken aan taalachterstand en het maken van overuren zijn zaken die de vrouwen gemeenschappelijk hebben.
“Het waren vijf verschrikkelijke jaren. Met de trein naar moest ik naar de meest afgelegen plekken om vriendinnen te bezoeken. De cultuurverschillen waren groot. Zij gingen paardrijden en hockeyen en ik ging met mijn Indonesische vriendin de stad in en naar de bioscoop.”
Een van de Haagse dames legt uit dat een witte school ook kan leiden tot isolement.
Naast deze wilskracht, koppigheid en geloof in eigen kunnen is er nog een andere belangrijke succesfactor. De geïnterviewde vrouwen in zowel Rotterdam als Den Haag geven aan dat ze veel steun hebben gekregen van hun ouders, die meestal zelf uit een traditionele samenleving komen. 'Zichtbare' ouders die hun dochters stimuleerden om naar school te gaan en zelfstandig te worden. En onafhankelijke ouders die, ondanks de grote sociale controle vanuit de familie en gemeenschap, zich niet onder druk lieten zetten. Met als doel “dat mijn kinderen het beter krijgen dan ik.”
“Mijn buurvrouw zei tegen me dat ze nog nooit een Turkse zoals ik had ontmoet. Wat is jouw beeld dan van een Turk, vroeg ik? ‘Turken die je op Vaillantlaan ziet’, antwoordde ze. Mijn beeld van Nederlanders is toch ook niet dat van Tokkies! Je hebt nette Nederlanders en je het Tokkies. Mijn buren moesten wel lachen om deze vergelijking, maar zo zit het wel.”
De onderzoeken leveren met andere woorden een belangrijke bijdrage aan het doorbreken van stereotypen. Tegenover clichés als ongeëmancipeerd en onvrij zetten de dames beelden neer van vitaliteit, ambitie en zelfbewustzijn. En tegenover het negatieve beeld van migrantenwijken laten zij ook de voordelen zien van de dynamiek en openheid van de grote stad. De stedelijke drukte, de nabijheid van familie en het groot aantal voorzieningen met ruime openingstijden. Maar stedelijkheid staat ook voor diversiteit: “In de stad kun je jezelf zijn.”
“Het zijn dertien in een dozijn woningen en dertien in een dozijn mensen. Het is allemaal bla, bla, bla. Ik houd juist van levendigheid en diversiteit. Daarom kies ik voor Rotterdam Zuid.”
Ishana (35) wil bewust niet in Barendrecht wonen
Maar hier houdt ook elke vergelijking tussen de vrouwen wel op. En gelukkig maar. Over het onderwijs (witte-zwarte scholen), de rol van de buurt op hun ontwikkeling, het wel of niet vervullen van een rolmodelfunctie en hun woonwensen hebben ze totaal verschillende meningen. Zo wisselen stedelijke dynamiek en rust elkaar af als naar het woontoekomstperspectief wordt gevraagd. Bij veel van de Rotterdamse vrouwen is de eengezinswoning nabij de stad het woonideaal. Het liefst nieuwbouw. Beton staat bij hen voor vooruitgang en een solide investering. Bij de Haagse vrouwen varieert het van een jaren dertig woning in een statuswijk tot een appartement in een aandachtswijk.  Afhankelijk van hun leefstijl en levensvisie geven zij dus op hun eigen manier invulling aan deze domeinen. Zoveel mensen, zoveel wensen. Dat is jammer voor die politici en beleidsmakers die voor deze middenklasse graag een kant-en-klaar recept hadden willen uitschrijven, maar een verrijking voor de stad.
Den Haag moet goed zijn best doen om de hoger opgeleiden te binden aan de stad. Den Haag dreigt echter de boot te missen, want de beleidsmakers zitten niet met de succesvolle groepen aan tafel, maar ze richten hun aandacht vooral op probleemsituaties. Een gemiste kans.
* De titel verwijst naar het gelijknamige advies van de VROM-raad uit 2002 over multicultureel bouwen en wonen.
 
Geraadpleegde bronnen
E. Desmet & A. Sour (2011) YU[E]P – ambitieuze jonge vrouwen. De opkomst van een nieuwe middenklasse op Zuid. Rotterdam: Post editions. Zie: www.yuep.nl

E. Desmet & A. Sour (2012) Gespreksverslagen van twee bijeenkomsten van succesvolle Haagse YUEP-vrouwen. Den Haag: Haag Wonen.

Bron foto: De Ster. Fotograaf: Joop Reijngoud

Meer leestips
Wie meer onderzoeksjournalistiek over stadswijken wilt lezen:

Afri
Jong spreekt Jong
Arrival City 



Of zie het Stadslente-boeken overzicht voor meer leesplezier.

zondag 30 september 2012

Tweedehands steden


Hoe moeten we binnen onze steden omgaan met de crisis? Het is ondertussen al zo vaak onderwerp geweest van essays, discussieplatforms en congressen dat we kunnen vaststellen dat daar nog wél een markt voor is. Op de ‘Urbanism Week’ van de TU Delft deden architecten, stedenbouwkundigen en planners vorige week een poging dit vraagstuk te ontrafelen. Het herbestemmen van bestaande gebouwen en plekken was daarbij het meest gegeven antwoord.

In het werkelijk schitterende onderkomen van de faculteit Bouwkunde organiseerde Polis, het platform for Urbanism, een 2-daags symposium over ‘Secondhand cities’ met als intrigerende ondertitel ‘re-thinking practice in times of standstill’. In minder dan acht uur passeerden maar liefst twaalf lezingen de revue van onder andere John Habraken, Joan Busquets, Frits van Dongen en Wouter Vanstiphout. Niet de minste, maar helaas werden de verwachtingen niet waargemaakt. Rudy Stroink zorgde gelukkig wel voor wat scherpte.

vrijdag 20 juli 2012

Straatkunst: spelen met de stad

Je hebt straatkunst en straatkunst. Mijn favorieten zijn diegene die de openbare ruimte gebruiken en soms misbruiken om iets grappigs, ontroerend of bijzonders te laten zien. Straatkunst waarbij je net even wat langer moet kijken of het klopt wat je ziet. Afbeeldingen die je op details in gebouwen of straten attenderen, die je anders nooit had gezien. Soms zijn ze heel groot en soms heel klein, maar in alle gevallen zetten ze de tijd even stil en ben je je meer bewust van je omgeving. Bij deze een overzicht van spraakmakende beelden van over de hele wereld. Met veel dank aan streetartutopia.com ("we declare the world as our canvas") voor de inspiratie en verzamelingen.

OaKoAk
Oakoak is een Franse kunstenaar die graag speelt met stedelijke elementen. Het enige wat hij nodig heeft, is een kleine onvolmaaktheid in de openbare ruimte, zoals een plas op de straat of een scheur in een muur. Net als bij bijvoorbeeld Nikita Nomerz (zie later in dit bericht) ligt de nadruk niet op het versieren, maar op het aanpassen van de omgeving. Met slechts enkele pennenstreken kan hij een totaal ander beeld geven aan de ruimte om ons heen. Vaak heel eenvoudig en speels, maar juist daardoor zo knap. "The less I intervene on the wall or the road, the better, especially if I can totally change the sense of the urban environment", aldus de Franse artiest.

Door: OaKoAk. Bron foto: http://www.streetartutopia.com

zondag 1 juli 2012

Geen woorden, maar daden

Afgelopen vrijdag was ik in Rotterdam omdat KEI, het kenniscentrum voor stedelijke vernieuwing, in haar huidige vorm ophoudt te bestaan. Ter gelegenheid daarvan organiseerde ze een inspirerende wandeling door Rotterdam Noord. Een bruisend stadsdeel met een grote verscheidenheid aan bouwstijlen, woningtypen, bewoners en ondernemers. Maar wat vooral inspireerde waren de projecten rondom het Hofplein waar druk wordt geëxperimenteerd met nieuwe stedelijke strategieën. Initiatieven van onderop, waarbij bewoners en ondernemers een nieuw leven proberen te geven aan de geplande stad.

Mini Mall in de Hofbogen. Bron foto: Gerben Helleman

Hofbogen
Het Hofpleinlijnviaduct is een 1,9 kilometer lang buiten gebruik gesteld spoorwegviaduct dat dwars door Rotterdam Noord gaat. Het viaduct telt 189 bogen die oorspronkelijk open zouden blijven, maar al in 1909 was een goed deel van de ruimtes onder de bogen als bedrijfsruimte of opslagruimte verhuurd. In 2006 reed de laatste NS-trein over het spoor en tot augustus 2010 maakte de RandstadRail gebruik van het viaduct. In 2006 was het echter al in eigendom gekomen van woningcorporaties Havensteder en Vestia. Het doel van de aankoop is om het verwaarloosde Hofpleinviaduct weer in oude glorie te herstellen en daarmee actief bij te dragen aan de kwaliteit van de publieke omgeving. “Een zorgvuldige herinrichting van dit voormalige spoortracé tot een (semi)publiek verblijfsgebied zal een leidende bijdrage leveren aan de kwalitatieve opwaardering van noordelijke stadswijken van Rotterdam”, aldus de website. “Het herontwikkelde viaduct zal echter niet alleen een aanwinst zijn voor wijkbewoners maar zal door zijn unieke combinatie van stoere ingenieursarchitectuur en aantrekkelijk programma ook andere Rotterdammers moeten verleiden een bezoek te brengen aan deze uitzonderlijke plek in de stad.”
Dat laatste lijkt langzamerhand te gaan lukken. Na veel jaren van discussiëren en plannen maken, zijn vorig jaar de eerste winkels in de hofbogen geopend. In de zogenaamde ‘Mini Mall’ zit een interessante mix van jonge ondernemers met unieke shops die je in het centrum niet snel zal vinden. Met bijvoorbeeld vintage kleding, stripboeken en tweedehands meubels. Het best lopen echter de cafés waar de de ‘high wine’ en ‘latte macchiato’ volop aftrek vinden. Het is daarmee een nieuwe creatieve hotspot waarbij slim wordt ingespeeld op het gebrek aan betaalbare locaties elders in Rotterdam. Helemaal volgens de traditie/theorie van Richard Florida, die van mening is dat de menselijke creativiteit de nieuwe motor is voor stedelijke ontwikkeling.

donderdag 7 juni 2012

Oranjekoorts geeft kleur aan openbare ruimte

Velen hebben het belang van de buurt als integratiekader gerelativeerd. Buren zijn niet meer zoals vroeger op elkaar aangewezen. Sociale cohesie zou ver te zoeken zijn. Buren zouden alleen nog een LAT-relatie met elkaar hebben ('living-apart-together'). De versieringen tijdens grote voetbaltoernooien lijken echter een tegenovergesteld beeld te laten zien. Hele straten worden oranje gekleurd. Met elkaar wordt er keihard gewerkt om de ‘oranjestraat van de stad’ te worden. Bij deze spontane explosie van burencontacten is de anders zo genegeerde openbare ruimte het stralende middelpunt. Of schijn bedriegt?

Voor iedereen, van niemand
Pleinen, straten, parken geven kleur aan een straat, buurt en stad. Of het nu gaat om het marktplein waar altijd wat te doen is, de winkelstraat waar mensen met verschillende leefstijlen elkaar ontmoeten, het buurtparkje waar we de hond uitlaten of de gemeenschappelijke binnentuin waar de kinderen samen spelen. Tegelijkertijd is er veel openbare ruimte in Nederland die geen speciale functie of identiteit heeft. Vooral in veel woonwijken is dit het geval. Als er al groene ruimte is, is dit eerder kijkgroen dan gebruiksgroen. Ook is vaak niet meer duidelijk van wie die vrij toegankelijke ruimte precies is, wie er gebruik van mag maken en wie voor het beheer zorgt. Waar het in het verleden nog werd gezien als een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de bewoners om het portiek, de galerij en de directe woonomgeving netjes te houden, lijkt de openbare ruimte nu van niemand. Door maatschappelijke ontwikkelingen (individualisering, minder sociale banden met buren) is de gemeenschapszin behoorlijk afgenomen en daarmee ook het gezamenlijk gebruik - en de controle daarop - van de openbare ruimte.

Bron foto: www.ekinformatie.nl

Wij houden van…
Dit slaat echter radicaal om als Nederland deelneemt aan grote voetbaltoernooien. Dan krijgt de openbare ruimte ineens een hele andere betekenis en lijkt iedereen betrokken. Lantaarnpalen worden versierd, vlaggetjes worden over en weer gespannen, hele gevels worden beplakt met oranje plasticzeil en pleintjes worden omgetoverd tot café annex bioscoopzaal.
De vraag is of er daadwerkelijk sprake is van een toename van het vrijblijvend contact met straatgenoten. In 2006 interviewde ik Jeanet Kullberg van het Sociaal en Cultureel Planbureau die tijdens het Europees kampioenschap van 2000 onderzoek deed naar wat voetbalversieringen betekenen voor de betrokkenen en voor hun omgeving. Zij had een mooie verklaring voor dat ‘spontane’ gemeenschapsgevoel: “Op een hoger abstractieniveau zou je kunnen concluderen dat in het westen de nationale en lokale identiteiten onder vuur liggen door mobiliteit, schaalvergroting, individualisering en eenvormigheid. Het voetbal zorgt juist weer voor een collectieve identificatie, gepaard gaande met chauvinisme en territorialiteit. […] Waar het nationale elftal het eenheidsgevoel aanwakkert, streven straat- en buurtbewoners weer naar eigen identiteit en bijzonderheid: wie heeft de straat of flat het uitbundigst, origineelst of mooist versierd?”

dinsdag 29 mei 2012

En straks? Het Londen van na de Olympische Spelen

De Olympische Spelen worden steeds meer gebruikt als katalysator voor stedelijke ontwikkeling. In een vorige bijdrage zagen we echter ook dat de erfenis van dit mega-evenement per stad en individu verschilt. In Londen is dat niet anders. Ook hier speelt het spanningsveld tussen de geplande (Olympische) stad en geleefde (bestaande) stad.

De Olympische Spelen (OS) in Londen staan voor de deur. De hele wereld zal drie weken gefocust zijn op de prestaties op de verschillende sportvelden. De lokale bevolking zal vooral rekening moeten houden met extreme veiligheidsvoorschriften en (nog meer) verkeerscongestie. De hamvraag is echter wat de erfenis van de OS op de stad Londen zal zijn. Want ondanks dat het ‘nalatenschap’ nooit hoger op de Olympische agenda heeft gestaan (“the most enduring legacy”), zijn de meningen behoorlijk verdeeld over de consequenties op de lange termijn. 

Bron foto: http://roadcyclinguk.com/
East-London
Hoewel de sportactiviteiten verspreid zullen zijn over drie locaties is vanuit stedelijk oogpunt vooral Oost-Londen interessant. Hier heeft een flinke gebiedsontwikkeling plaatsgevonden met de bouw van het Olympisch Park met onder andere het Olympisch stadion en de huisvesting voor atleten. Doel op de lange termijn: het dichten van de historische kloof tussen Oost en West Londen. Tussen arm en rijk. Oost Londen voert namelijk – voor wie van statistieken houdt - al sinds jaar en dag de verkeerde lijstjes aan. Dat heeft met de geschiedenis van het gebied te maken. In de laat 18e eeuw vond hier de industrialisatie plaats met scheepsfabrieken en goedkope woningbouw voor de havenarbeiders. Het was de tijd van Jack the Ripper met grote armoede, alcoholverslaving, prostitutie en criminaliteit. Vanaf de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw verdween veel van de zware, vervuilende industrie en kwam er in de loop der tijd nieuwe bedrijvigheid. Profiterend van de leegstaande gebouwen, de lage huren en infrastructuur. Tegelijkertijd is Oost Londen ook altijd vestigingsplaats geweest van nieuwe migranten. Van de protestantse Hugonoten uit de 17e eeuw tot de immigranten uit Bangladesh in de jaren zestig van de vorige eeuw. Allen hebben ze hebben een bijdrage geleverd aan de geschiedenis en cultuur van dit gebied. 

Docklands
De wil om het oosten van Londen te vernieuwen, bestaat al geruime tijd. De Olympische doelstellingen passen in de lijn van eerdere gebiedsontwikkelingen, waarbij onder andere het financiële centrum richting het oosten is verschoven. The 2012 Games will provide a major catalyst that accelerates an existing and ambitious plan for urban renewal.” Dat plan uit 1995, bekend onder de naam ‘Thames Gateway development’, bestaat naast infrastructurele vernieuwing ook uit de ambitie om 120.000 woningen en 50.000 nieuwe banen te creëren voor 2021. Eerder werd in dit gebied al het beroemde ´Canary Wharf´gerealiseerd waar naast een zakencentrum ook een groot aantal nieuwe koopwoningen werden gerealiseerd voor de werknemers. Die gebiedsontwikkeling had echter weinig invloed op de onderliggende sociale problemen van de bestaande bewoners in Oost Londen. Het versterkte eerder de polarisatie tussen de rijke en arme buurten. De OS moet die kloof - volgens het eerste schetsboek uit 2000 – juist dichten.  

zondag 13 mei 2012

Olympische Spelen: de erfenis voor de stad

Het is bijna zover. De Olympische Spelen. Nauwlettend gevolgd door sportliefhebbers, maar ook door stedelijke onderzoekers. De vraag is immers ook welke impact de Spelen op een stad hebben. In financiële zin, maar vooral ook op het gebied van stedenbouw, ruimtelijke ordening en de lokale bevolking. De consequenties verschillen per Olympische stad en worden voor een groot deel bepaald door met welke bril je naar het geheel kijkt. Een historisch overzicht van de belangrijkste plussen en minnen.

Mega-evenementen, zoals de Olympische Spelen (OS), worden door veel steden omarmd. Voor een paar weken kijkt en komt de hele wereld samen in jouw stad. Op de korte termijn zorgen ticketverkoop, horecagasten, sponsorgelden en televisierechten voor flinke inkomsten. Op de lange termijn verwacht men meestal een verhoging van de sportparticipatie in eigen land en door de enorme media-aandacht wordt het imago van de naamgevende stad flink opgepoetst. Wat uiteindelijk moet zorgen voor een stimulans van de economie en het toerisme. Tegenover deze opbrengsten staan echter ook een flink aantal uitgaven, zoals de investeringen in sportaccommodaties, wooncomplexen en infrastructuur.

Stedelijke transformatie
De OS zijn in de loop der tijd een vliegwiel geworden voor stedelijke ontwikkeling. Het wereldevenement vindt immers plaats in een lokale context die vaak behoorlijk moet worden aangepast om aan de wensen van de bezoekers te voldoen. De Olympische Spelen in Rome (1960) waren wat dat betreft een trendbreuk. Voor het eerst beperkte de stedelijke interventie zich niet tot de bouw van een stadion maar was er sprake van een heel stedelijk programma met het Olympisch dorp als middelpunt, bestaande uit 1.400 woningen, enkele winkels, scholen en een kerk. Waar in het verleden nog gebruik werd gemaakt van tijdelijke tenten/barakken en van bestaande hotels/studentenhuizen kreeg het Olympisch dorp vanaf de jaren zestig een duale functie: als tijdelijke accommodatie voor de atleten en na de Spelen als woningen voor de lokale bevolking.
Daarmee werden de OS meer dan ooit verweven met stedelijke planvorming. Stadsplanners zien de Spelen nu dan ook als een mooie kans om lange termijn plannen naar voren te halen, te herprioriteren en gefinancierd te krijgen. De startdatum van de Spelen zorgt immers voor een harde deadline en zijn zo prestigieus dat snelle beslissingen makkelijker worden afgedwongen.

Olympisch dorp 'Campo Paroli' in Rome. Bron foto: Flickr

Nieuwe economie
Deze nieuwe rol had uiteraard alles te maken met het toenemende aantal atleten, officials en journalisten dat moest worden gehuisvest en vervoerd. Maar ook met een veranderende wereldeconomie. Door de de-industrialisatie en globalisering proberen politici steeds meer om hun stad op een wereldschaal te promoten als een hoogwaardige consumptiegerichte, diensteneconomie (congrescentra, horeca, musea, winkelcentra, kantoren). Om zo wereldwijd te kunnen concurreren met andere steden op het gebied van toeristen,  investeringen en vooral werkgelegenheid. De OS (sport, amusement, toerisme) zijn daarbij uitermate geschikt om een dergelijke vrije tijdseconomie en dito imago te creëren.

vrijdag 13 april 2012

Tactical Urbanism (deel 2): Urban Knitting, Chairbombing en Streetpianos

Wie de leefbaarheid van steden wilt verbeteren, kan dat doen via grootschalige interventies op buurtniveau, maar vaak is het straat- of complexniveau veel effectiever. Dat is immers het schaalniveau waar de gebouwde omgeving samensmelt met haar gebruikers. Waar de interactie plaatsvindt tussen de geplande en geleefde stad. Om die interactie te bevorderen, ontstaan er steeds meer kleinschalige, informele initiatieven. Te groeperen onder de noemer van ‘Tactical Urbanism’: tijdelijke aanpassingen in de openbare ruimte die prikkelen en enthousiasmeren. In deel 1 introduceerden we deze stadstrend en keken we naar ‘Park(ing) Day’. Nu werpen we een blik op drie andere verschijningsvormen: ‘Urban knitting’ ,‘Chairbombing’ en 'Streetpiano's'.

Bron foto: http://oddstuffmagazine.com/
‘Urban’ of ‘Guerilla knitting’ is een (straat)kunstvorm waarbij de stad wordt versierd aan de hand van wol. Niets meer en niets minder. Het kleurt de straat op en geeft de harde buitenruimte – letterlijk – een zacht gevoel. Maar bovenal vraagt men op deze manier aandacht voor en bewustzijn van de openbare ruimte.

Bron foto: http://oddstuffmagazine.com
Het doel is onduidelijk. Misschien is een glimlach op het gezicht van de voorbijganger al genoeg. Het is dan ook vooral de truc om de meest bijzondere voorwerpen van een nieuw jasje te voorzien. Van lantaarnpalen en bomen tot bewegwijzering, fietsen en auto’s.

Bron foto: http://oddstuffmagazine.com
Het is onduidelijk waar deze trend precies is geboren, maar het wordt ondertussen wel wereldwijd toegepast. Vooral in de Scandinavische landen is het een hit. Maar ook in Nederland zijn er versierde attributen te vinden, vooral in Leiden en Amsterdam.

woensdag 21 maart 2012

Inverdan te Zaanstad

Ik was vorige week in Zaanstad. Of beter gezegd, Zaandam. Een van de zeven kernen van Zaanstad. De gemeente die onder andere bekend is van de Zaanse Schans (molens!), de Albert Heijn en Verkade. Het is ook de stad waar je op bijna iedere hoek van de straat wel weer een nieuwe architectuurstijl vindt. Een gevolg van de eeuwenlange incidentenstedenbouw en de behoefte van Zaanstad om wonen en bedrijvigheid te mengen. Er is nu echter een nieuwe attractie: het centrum. Inverdan geheten. De vraag die het geheel oproept, is of we hier te maken hebben met goedkoop geveltoerisme of met een nieuw, bruisend stadshart?

Sociaal supervisor
Nu volgde ik de stedelijke ontwikkeling daar in het verleden al met enige interesse, omdat men aan het begin naast een stedenbouwkundig ook een sociaal supervisor had aangesteld. Een nieuw type professional, bedacht door het Verwey-Jonker Instituut, die een brugfunctie vervult tussen de fysieke en sociale discipline. Een persoon die naast al het fysieke geweld ook aandacht vraagt voor de  sociale kwaliteit - de menselijke kant - van de plannen. Door bijvoorbeeld in het ontwerpproces - aan de hand van sociale beelden - ook voldoende aandacht te vragen voor de gewenste identiteit. Daarnaast bewaakt de supervisor de samenhang (het totaal plaatje) en wijst op mogelijkheden om tijdens het ontwikkelingsproces gunstige sociale effecten te behalen. Voor Inverdan hield dat onder andere in dat er beter/slimmer is nagedacht over de sociale en vooral symbolische functie van het nieuwe stadshart. Een braakliggend terrein werd gebruikt voor een tijdelijke ijsbaan en de leerlingen van een nabijgelegen ROC hebben meegedacht over de plannen, bijvoorbeeld over de sociale veiligheid. Kees Fortuin, de sociaal supervisor aldaar schreef er eind 2006 een mooi essay over. Hij stipte daarbij een belangrijk aandachtspunt aan dat je in meer stedelijke ontwikkelingsprocessen ziet: “In de ontwikkeling van Inverdan is een breuk waarneembaar. In de overgang van theorie naar praktijk, van ambitie naar werkelijkheid zijn we ‘iets’ kwijtgeraakt. Dat ‘iets’ is de interactie met de bevolking, de samenhang met de bestaande stad, de koppeling tussen het grote en het kleine, de lijn van nu naar de toekomst. Onze dromen verdwenen naar de achtergrond en werden klussen. De inspiratie van de stad werd de inspiratie van ontwerpers en uitvoerders.[…] Voorheen spraken we van een hart voor de stad, […], binding, interactie. Nu hebben we het alleen nog maar over een nieuw stadhuis, een nieuw station, […]. De bezieling lijkt er uit.” Naar zijn mening verloor Inverdan de verbinding met de rest van de stad. “Sociale [in tegenstelling tot fysieke] activiteiten hoeven zich niet te beperken tot het plangebied. Je kunt de rest van Zaanstad voortdurend uitnodigen om het centrum ook vanuit de dorpen in bezit te nemen, mentaal en anderszins.”

zondag 11 maart 2012

New York's Grid

In 2011 was het 200 jaar geleden dat New York begon aan de aanleg van zijn befaamde schaakbordpatroon. Een matrix van loodrecht op elkaar staande straten. Een knap staaltje stedenbouw dat de stad heeft gevormd tot wat die nu is. Een historisch overzicht (incl. een fantastische interactieve kaart).

Hollands glorie
Stadskaart van New Amsterdam,
gebaseerd op het 'Castello Plan' uit 1660. Bron: Wikipedia
Toen de Nederlanders in 1626 het eiland Manhattan hadden ‘gekocht’ voor 60 gulden van de plaatselijke Algonquin-Indianen bouwden ze op de zuidelijke punt een nederzetting. Men begon met het ontwerp van een groot fort, maar uiteindelijk groeide het dorp vrij spontaan en werden de straten aangelegd zodra er behoefte aan bestond. Met in het midden een breed indianenpad (Broadway) dat het zuiden verbond met de landgoederen en dorpjes in het noorden, zoals Ha(a)rlem. Onder het bewind van Peter Stuyvesant verdubbelde de bevolking en omvang van het dorp. Aan de noordzijde werd het gebied beschermd tegen de Britten via een ommuring (Wall street). Deze verdedigingswal werd in 1653 afgerond. Het jaar waarin New Amsterdam ook stadsrechten kreeg toegekend.

Van de een naar de ander
In 1664 kregen de Britten het voor het zeggen in het handelscentrum met een inwoneraantal van 1.500 mensen. Grond die nog niet aan individuen was toegewezen, werd openbaar bezit. Doordat de handel floreerde,  groeide de stad snel. In 1728 overschreed New York de oorspronkelijke Nederlandse grenzen, zonder een duidelijk stadsplan. Wat nog altijd te zien is aan het onregelmatige stratenpatroon van ‘Lower Manhattan’.
Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog (1776-1783) werd New York door Britse troepen bezet en werd de grondspeculatie opgeschort. Twee grote branden verwoestten talloze gebouwen en de bevolking slonk van 20.000 tot 10.000. Ondanks dat werd New York de hoofdstad van de jonge Verenigde Staten. Door de 'Act of Confiscation' uit 1782 kon de stad grond onteigenen van degenen die met de Britten hadden geheuld. Hierdoor kwamen nu grote gebieden vrij voor ontwikkeling.

donderdag 23 februari 2012

Tactical Urbanism: Park(ing) day

'Tactical urbanism' is helemaal in. Dit is een koepelterm voor kleine, experimentele initiatieven die ervoor zorgen dat straten, pleinen en gebouwen leefbaarder worden. Het gaat vaak om informele, vernieuwende bewonersinitiatieven van tijdelijke aard die de interactie tussen de fysieke omgeving en haar gebruikers vergroot. Het heeft verschillende verschijningsvormen (excuses voor alle Engelse termen): guerilla gardening, park(ing) days, urban knitting, pop-up shops, guerilla painting, chair bombing, urban repair, street pianos, etc. De straatspeeldag in Nederland past ook wel voor een deel in dit rijtje. Tijd voor een nadere kennismaking, omdat je er zo'n heerlijk stadslente-gevoel van krijgt. Dit is deel 1 van een foto-essay over Tactical urbanism, te beginnen met Park(ing) day.

Park(ing) Day in Lille. Bron foto: http://my.parkingday.org/photo/a-lille-1/next?
Tactical urbanism is eigenlijk maar een van de termen die voor dit nieuwe stedelijke fenomeen wordt gebruikt. Anderen noemen het 'guerilla urbanism', 'pop-up urbanism' of 'D.I.Y. Urbanism', waarbij de afkorting staat voor Do It Yourself. In Amerika wordt het vooral gezien als een tegenhanger van de grootschalige, van bovenaf opgelegde stedelijke ontwikkeling door professionele partijen.

Park(ing) Day in San Francisco. Bron foto: http://rebargroup.org/parking-day
Wat de eerdergenoemde termen allemaal gemeenschappelijk hebben, is het verschijnsel dat stedelingen ongevraagd een plekje in de geplande omgeving opeisen en deze (tijdelijk) aanpassen. Lokale, creatieve oplossingen of impulsen op straatniveau. Soms heel serieus en soms met een dikke knipoog. Vaak voor de korte termijn en met weinig risico, maar soms groeien de experimenten ook uit tot een structurele verandering van de bebouwde omgeving.

Park(ing) Day in San Francisco. Bron foto: http://rebargroup.org/parking-day
Park(ing) day is een jaarlijks evenement in al meer dan 160 steden in 35 landen waarbij parkeerplekken voor één dag worden omgetoverd tot een parkachtige openbare ruimte. Door simpelweg geld in de parkeermeter te gooien, is het mogelijk om een kostbaar stukje stad voor korte termijn te huren en vervolgens naar eigen inzicht in te richten.

zaterdag 18 februari 2012

Arrival City

De Brits-Canadese journalist Doug Saunders schreef in 2011 de bestseller 'Arrival City' over de trek naar de stad. Een proces dat er voor heeft gezorgd dat er sinds vorig jaar wereldwijd meer mensen in de stad wonen dan op het platteland. The Guardian noemde het "the best popular book on cities since Jane Jacobs's The Death and Life of Great American Cities." Dat was genoeg reden om donderdag naar Leiden af te reizen waar Saunders een lezing hield.

Emancipatieproces
Voor het boek bezocht Saunders twintig stadswijken om de effecten van ruraal-urbane migratie te onderzoeken. Variërend van Mulund (Mumbai, India) en Santa Marta (Rio de Janiero, Brazilië) tot Kreuzberg (Berlijn, Duitsland) en het Amsterdamse Slotervaart. Vanuit het perspectief van individuele migranten beschrijft hij de verhuismotieven en vooral het proces om langzaam maar zeker te integreren in het nieuwe stadsleven. Daarnaast analyseert hij de aankomstwijken, die in zijn optiek grote overeenkomsten hebben als locaties voor transitie en integratie. Hij ziet deze aankomstwijken niet als chaotisch, afstotend en disfunctioneel, maar als een veilige haven voor nieuwelingen. Dankzij de beschikbaarheid van op migrantengroepen gerichte voorzieningen (winkels, religieuze instellingen) en vanwege de aanwezigheid van familie en gelijkgestemden die voor de belangrijke uitwisseling van goederen, hulp en informatie fungeren. Daarmee kiest de auteur expliciet voor de migrantenwijk als emancipatiemachine, terwijl anderen juist benadrukken dat deze concentratiewijken de taalvaardigheid, het opleidingsniveau en integratie van de bewoners negatief zou beïnvloeden.

zondag 5 februari 2012

Jong spreekt jong

Beleidsmakers en politici zijn dol op statistieken. Cijfers worden daarbij vaak als de waarheid gepresenteerd, terwijl de onderzoeksmethoden, de manier van tellen en het type respondenten vaak van grote invloed zijn op de daadwerkelijke betekenis van een cijfer.

Zo werden er bij de aanwijzing van de veertig zogenaamde krachtwijken door voormalig minister Vogelaar grote vraagtekens gezet bij de daarvoor gebruikte indicatoren. Zo zou het aandeel sociale huurwoningen en allochtonen iets zeggen of een wijk het predicaat ‘achterstand’ mag krijgen. Je hoeft niet van linkse huize te zijn om hier toch vraagtekens bij te zetten.
Ander voorbeeld. Bij het typeren van stadswijken wordt altijd het aandeel Marokkaanse, Turkse en Surinaamse huishoudens genoemd. Deze indeling zegt echter niets zonder nader aan te duiden tot welke politieke of godsdienstige richting de bewoners behoren of uit welke provincie ze afkomstig zijn. Zo bestaat de statistische groep Turken uit Turken, Koerden en Azeri-Turken. En dan is er nog het onderscheid tussen de vrijzinnige Alevieten en de orthodoxe moslims, en onder de laatste groep heb je nog de fundamentalisten. Marokkanen hebben hun Arabieren en Berbers. De Berbers zijn opgedeeld in stammen, die elk hun voorkeuren hebben voor bepaalde moskeeën. Bij de Surinamers heb je Creolen, Hindoestanen, Javanen, Indianen en Chinezen. In veel gevallen benadrukken deze subgroepen in het alledaagse leven hun eigen identiteit. Niet als reactie op de Nederlandse cultuur, maar meer als een gevolg van de aanwezigheid van de andere migrantenculturen. Voor wie dus bijvoorbeeld onderlinge contacten wilt stimuleren, moet verder kijken dan een simpel demografisch statistiekje.

Wie een stadswijk echt wil typeren, zal de cijfers moeten aanvullen met kwalitatieve, lokale informatie. Simpelweg door de wijk in te gaan en je oor te luister leggen bij de bewoners zelf. Zo krijg je het verhaal achter de cijfers. Het DNA van een wijk is immers niet uit statistieken te halen, maar alleen via de alledaagse observatie. Jos van der Lans heeft dat ooit eens als volgt verwoord: "Professionals moeten de statistische kennis van hun eigen systeemwereld combineren met de dynamische kennis van de leefwereld. Oftewel: de abstractheid van de statistiek combineren met de concreetheid van de straten."
In de Haagse Schilderswijk is onlangs op een ludieke manier geprobeerd om het verhaal achter de cijfers inzichtelijk te maken. Studenten van de Haagse Hogeschool interviewde 200 leeftijdsgenoten over hun leven. Hoewel de onderzoeksmethode misschien niet helemaal wetenschappelijk verantwoord is en de pers helaas weer met alleen de negatieve cijfers aan de haal ging, is dit onderzoek een welkome aanvulling op eerdere analyses. Zo geeft het bijvoorbeeld voor het eerst inzicht in de rol van de jongeren binnen het gezin. De jongeren gaven meerdere malen aan dat zij genoodzaakt zijn om te werken om zo voldoende geld binnen te krijgen om in de levensbehoeften van het gezin te voorzien. En vooral meisjes hebben vaak veel taken in het huishouden. In de statistieken zal je dit nooit terug zien. Net zoals de vele bijverdiensten in het grijze circuit door de andere gezinsleden. Niets is zoals het op het eerste gezicht lijkt.
Maar bovenal geeft de publicatie ’Jong spreekt Jong’ (pdf-bestand) een mooi inzicht in de leefwereld van de jongeren. Aan de ene kant komt het beeld naar voren van jongeren die ambities hebben en hard werken aan hun toekomst en het op school een stuk beter doen dan hun ouders. Aan de andere kant zie je ook de worsteling van de jongeren met hun verschillende leefwerelden (thuis, school en straat). Zo heeft de “migrantenwijk” zowel voor- als nadelen: het wonen in een wijk met gelijkgestemden waar je niet wordt aangekeken op een niet-Nederlandse achtergrond, maar waar tegelijkertijd voldoende verleidingen zijn om van het rechte pad af te wijken. Aan de andere kant staat die worsteling tussen de verschillende leefwerelden ook helemaal los van hun woonadres. Het heeft namelijk ook voor een groot deel te maken met hun plek in de Nederlandse maatschappij (leven tussen twee culturen in) en de fase in hun leven. Het zijn immers ook gewoon pubers die hun grenzen aan het verkennen zijn en die zich willen afzetten tegen hun school en ouders. Door middel van een groot aantal citaten laat het onderzoek zien dat iedere jongere daar op een andere manier mee omgaat. Er is dus niet één waarheid. Dat is jammer voor beleidsmakers en politici, maar een feest voor de stad.

Bron foto's: Ton Groenendijk Producties

dinsdag 31 januari 2012

Civic economy

Onderlinge betrokkenheid, actief burgerschap en de zelfredzaamheid van bewoners. Thema’s die, mede ingegeven door bezuinigingen, steeds meer op de voorgrond komen te staan. Maar bestaat deze ‘civil society’ wel in Nederland? Wat mogen we verwachten van het zelforganiserend vermogen van bewoners? En in hoeverre kan je dit als gemeente of corporatie stimuleren of faciliteren?

Voor wie sceptisch is over de 'civil society', zoals ondergetekende, moet het ‘Compendium for the civic economy’ eens lezen. In dit boek staan 25 inspirerende voorbeelden uit het buitenland die - ondanks de verschillende sociale en politieke context - diverse aanknopingspunten bieden voor dit Nederlandse vraagstuk. De ‘Civic economy’ gaat over maatschappelijke initiatieven die ingebed zijn in een alternatieve en vaak lokale economie. Projecten die volledig leunen op maatschappelijk ondernemerschap, innovatie en de bundeling van lokaal sociaal kapitaal en diverse netwerken. Projecten die ook laten zien hoe bewoners(groepen) en maatschappelijke ondernemers een bijdrage kunnen leveren aan de economie en het sociale welzijn van buurten. Maar bovenal zijn het initiatieven van onderop die aansluiten op de behoeften en vaardigheden van de gebruikers en die zonder overheidsbemoeienis tot stand zijn gekomen. En vooral dat laatste is erg interessant. Of het nu gaat om een ecologisch theater met amateurtoneel, een multifunctionele accommodatie die wordt gerund door buurtbewoners of om een creatieve werk- en ontmoetingsplek voor zelfstandigen, stuk voor stuk zijn het zichzelf bedruipende projecten waar lokale gemeenschappen de dienst uitmaken. Leunend op persoonlijke inzet, sociale netwerken en een diversiteit aan financiële bronnen.
Mijn enthousiasme is waarschijnlijk gestoeld op het hoopgevende karakter van de projectbeschrijvingen. Het laat zien dat bewoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties veel kunnen bereiken als de juiste mensen op de juiste plek samenkomen, kansen herkennen en deze vervolgens ook oppakken. Dat hoopgevende en geïnspireerde gevoel had ik al toen ik ze las, maar helemaal toen ik vorig najaar een paar projecten in Londen bezocht (hier later een keer meer over).

dinsdag 24 januari 2012

De stad van boven

Iedere planoloog of geograaf moet er op een gegeven moment aan geloven. Tenminste, vroeger was het verplichte collegestof: het boek ‘Ruimtelijke Ordening’ van Van der Cammen en De Klerk. Het boek geeft de geschiedenis weer van de geplande stad en laat zien hoe strak ons land geordend is. Dit aan de hand van de beschrijving van een groot aantal ruimtelijke plannen en vele rijksnota’s. Geen flauw idee of dit boek nog steeds op de literatuurlijst staat, maar toentertijd vond ik het door al die overheidsplannen soms wat taaie kost. Daar is nu gelukkig een oplossing voor.

Mijn versie van 1996 eindigt met een beschrijving van de nota’s die vooral een visie gaven op hoe Nederland de zeer open, concurrerende wereld van de 21ste eeuw moest gaan betreden. Een - volgens de nota’s en het eerste Paarse kabinet - economische en ruimtelijke competitie dat tot nog altijd herkenbare discussies leidden. Bijvoorbeeld over de Randstad als belangrijke (inter)nationale regio. Maar ook over het Groene hart en de realisatie van ecologische hoofdstructuren. En om de files te bestrijden werd het rekeningrijden geïntroduceerd en werd het ABC-locatiebeleid verder uitgewerkt. Een tijd waarin het internet nog voet aan de grond moest krijgen en de eerste palen van de vinex-wijken net de grond in gingen. De tijd vliegt…

vrijdag 6 januari 2012

Greening the ghetto

Een bezoekje brengen aan Ted.com is als een kind dat door de snoepwinkel loopt. Voor wie het niet kent: op Ted.com vind je inspirerende en baanbrekende lezingen van andersdenkenden. “Ideas Worth Spreading” is hun motto.  De bedoeling van TED is vooral om grote denkers én doeners een podium te geven om te proberen het publiek te overtuigen van hun visie of nieuwe ideeën. Elke spreker heeft maximaal achttien minuten de tijd voor zijn presentatie. De inhoud van de lezingen bevat geen zware theoretische kost. Het gaat namelijk niet om algehele dossierkennis, maar vooral om het kweken van begrip en bewustzijn en om toepassingen van de wetenschap te laten zien die bij kunnen dragen aan een betere wereld.

De thema’s zijn zeer verschillend. Ook op het vlak van de stad zijn er een paar interessante lezingen te beluisteren en te bekijken. Al een aantal jaren is mijn favoriet: “Greening the ghetto” van Majora Carter. In deze charismatische en emotionele presentatie vertelt ze over haar werk in het ‘South Bronx’ (New York). Een geïndustrialiseerd gebied met een groot aantal afvalverwerkingsinstallaties, elektriciteitscentrales, fabrieken en snelwegen. Ze is initiatiefnemer van ‘Hunts Point Riverside Park’, het eerste park in de South Bronx voor meer dan 60 jaar. En dat was het startpunt van een grootschalige en vraaggerichte wijkvernieuwing. Samen met een groot buurtnetwerk werkt ze aan het verminderen van de milieuproblematiek, het creëren van meer groene ruimten (parken, bomen) en werkgelegenheid. Dit alles ten behoeve van de gezondheid van de wijkbewoners.

Tegelijkertijd confronteert ze de kijker ook met de relatie tussen sociaal-economische achterstanden en gezondheidsproblemen. “Our 27% obesity rate is high even for this country, and diabetes comes with it. One out of four South Bronx children has asthma. Our asthma hospitalization rate is seven times higher than the national average.” Ook in Nederland bestaat die relatie tussen opleiding, inkomen en gezondheid. Het ministerie van VWS bracht een aantal jaar geleden een paar veelzeggende cijfers uit. Zo leven mannen met de laagste opleiding bijna 7 jaar korter dan mannen met de hoogste opleiding. Kijkend naar de ‘gezond ervaren jaren’ is het verschil zelfs bijna 19 jaar. Dat laatste komt omdat lager opgeleiden vaker last hebben van hartaandoeningen, overgewicht, rugklachten, astma, reumatische aandoeningen, psychische klachten en beperkingen van het bewegingsapparaat. En hun leefstijl en leefomstandigheden maken het dikwijls moeilijker om gezond te leven. Zo wonen zij vaker in buurten die een negatief effect hebben op de gezondheid (binnenmilieu woningen, ontbreken van parken en fietspaden en luchtvervuiling door de aanwezigheid van fabrieken of snelwegen). De vraag is natuurlijk wat hier precies oorzaak en gevolg is, maar al met al zijn het deprimerende cijfers. Majora Carter kan je echter opvrolijken, zij laat zien hoe je een omslagpunt kan creëren.

zondag 1 januari 2012

Le Medi

Je hebt van die projecten waarvan je niet helemaal precies weet wat je er van moet vinden. Projecten die tot stof ter discussie leiden. Of in ieder geval genoeg vragen oproepen. Le Medi in Rotterdam is zo’n soort project. Een nieuwbouwcomplex dat ik persoonlijk erg mooi vind en een echt stadslentegevoel van krijg, maar dat is allemaal een kwestie van smaak. De veel interessantere vragen zijn: is dit een invulling van het multicultureel bouwen en/of het multicultureel wonen? Is er een markt voor dit soort woonproducten? En zo, ja hoe ziet die er dan uit? En welke leefstijlen passen hierbij?

Multicultureel bouwen
De VROM-raad schreef in 2002 een advies over multicultureel bouwen en wonen met de veelzeggende titel ‘Smaken verschillen’. Het beschrijft de discussie of en hoe je de culturele diversiteit van Nederland ook in de gebouwde omgeving tot uiting kan/wil laten komen. In vormgeving, ontwerp en gebruiksmogelijkheden. Op basis van een onderzoek constateert de raad dat er wel meerdere projecten zijn op het gebied van multicultureel bouwen, maar dat deze vooral gericht zijn op woningplattegronden (open of gesloten keuken, ligging van het toilet) en op groepswonen voor ouderen. Veel minder aandacht is er voor de kant van de identiteit, vormgeving en de woonomgeving. Le Medi is echter een voorbeeld van het laatste.